Uitgelicht

Goed opletten wat die poppen je leren

Wie kent hem niet? De poppenkast op het Binnenwegplein. In de jaren 80 was het een houten keet die voor warenhuis Jungerhans stond. De keet is inmiddels vervangen door een moderne constructie van staal en glas. De poppen én poppenspelers zijn echter nog dezelfde. Wim Noordegraaf kwam met het idee voor een vaste kast, Koos Wieman was direct enthousiast. Het doek ging voor het eerst open in 1980. En als Koos na een zaterdagvoorstelling op zijn praatstoel gaat zitten, blijkt hij nog net zo bezield als in die begintijd.

“Wim kwam op een dag naar me toe met de vraag: ‘Wat zou je ervan denken als we een gewapend betonnen poppenkast laten neerzetten in Rotterdam?’ Samen met poppenspeler Bram Wiersma zijn we dat idee gaan uitwerken. Het werd een houten opbouw van gepotdekselde wanden op een stenen fundament. Met zijn drieën hebben we de coöperatie Rotterdamse Poppenspelers opgericht en sindsdien spelen Wim, Bram en ik onder die vlag op het Binnenwegplein. De permanente poppenkast is slechts een deel van onze inkomsten en we zijn alleen in staat om daar te blijven spelen door bijdragen van fondsen als Volkskracht. Het was voor ons snel duidelijk dat de vaste kast voordelen heeft ten opzichte van ons mobiele werk: licht en geluid staan altijd klaar, je kunt er dingen opslaan en je hoeft alleen je poppen mee te sjouwen.”

Veranderingen
Inmiddels staat Koos al 43 jaar in de poppenkast. Wat hem echt ontroert, zijn de mensen die hem na een voorstelling vertellen dat ze als klein meisje of jongetje voor de kast zaten en er nu staan als oma of opa. “Voor mij is het een kippenvelmoment als iemand een pop herkent en zegt dat hij die al zijn of haar hele leven kent. Het voelt dan alsof ik onderdeel uitmaak van de geschiedenis van de families in de stad.”
Koos typeert zijn werk als theater van de straat dat ook begrepen moet worden door de kinderen van de straat. Het mooie daaraan is dat zijn werk mee verandert met de veranderingen die de stad en het publiek ondergaan. “De bevolking is nu veel meer divers dan toen wij in 1980 begonnen en ik vind dat prachtig. Wij hebben enorme vrijheid in ons werk en dat maakt het makkelijk om je voorstellingen aan te passen aan die veranderingen. Ik heb een aantal basisverhalen waarmee ik allerlei kanten op kan. Zodoende kan ik altijd samen met het publiek de voorstelling vormgeven en inspelen op de groep die ik op dat moment voor me heb. Daarbij is het mooie, dat ik door de jaren heen de Rotterdammer en de Rotterdamse humor echt heb leren kennen en leren gebruiken in mijn verhalen.”